Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K I K K IE.

Hij zat te suffen op zijn krukje, de oude Kikkie. Zo heel oud was hij eigenlijk nog niet; pas acht-en-zestig. Maar ’t was hem aan te zien, dat hij vroeger hard had gewerkt, en dat hij ’t nu niet breed had. Veertien gulden vast had hij indertijd op de suikerfabriek. Toen die gesloten werd, had hij natuurlijk gedaan gekregen. Dat was nu zes jaar geleden. Hij moest maar zien, dat hij zijn kostje opscharrelde. Wie zou hem in dienst nemen, den twee-en-zestig-jarigen suikerbakker? Gelopen had hij, de hele stad af, om een baantje te krijgen, maar ze vonden hem overal te oud.

Hij had gedongen naar een aanstelling bij de partikuliere nachtveiligheidsdienst, maar ach! zoals zoveel in Amsterdam, was die betrekking ook veranderd. In vroeger jaren waren de mensen tevreden, als ze wisten, dat er één of tweemaal per nacht een waker door de straat ging, die keek of er geen deur of raam open stond; daar kon je met te oud voor wezen. Maar nu ? Tegenwoordig kregen de nachtwakers hun aanstelling van een directeur, tegen een vast weekloon, dat hij betaalde van de contributie, door de aangesloten burgers opgebracht. Uniformpetten droegen ze; zestonden ’s avonds als soldaten in ’t gelid, en dan werden ze door den directeur uitgezonden, elk naar zijn wijk.

Toen Kikkie zich aanmeldde, had de directeur glimlachend gezegd: „Neen, vader! Oude mensen kunnen we niet gebruiken. Heb je geen zoon van een goede dertig? Als je dien stuurt, zullen we eens kijken. ’

Ja, Kikkie had wel een zoon van die leeftijd, maar dien kon hij niet sturen, want vijf jaar geleden had Piet in een dolle bui getekend als koloniaal, dus nu zat hij in Indië. Tweemaal had hij geschreven. Zijn laatste brief kwam in t vorige jaar, juist op Nieuwjaarsdag. Sedert die tijd had Kikkie taal noch teken van hem gehad. Zijn dochter had nog wel eens aan Piet geschreven, toen ze nog thuis

Rijpma, Jonge Kracht. I. 21

Sluiten