Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De huisknecht was ziek. Het tweede meisje, dat nu op de schel moest letten, had gezegd: „Kikkie! Zo lang als Jan ziek is, moet je maar elke morgen om tien uur aan de tuindeur komen; er is altijd wel wat te doen.”

„Asjeblieft, Mina!” zei Kikkie. Om tien uur waren zijn vaste brug-klantjes toch gepasseerd en je moet het zekere voor *t onzekere nemen.

Dat ging zo drie, vier dagen, en als Mina in een van de kamers bezig was, hoorde ze de schel wel eens niet. Dan tikte Kikkie, als er twee keer gescheld was, tegen ’t keukenraam, en de keukenmeid liep mopperend naar de voordeur.

Kikkie dacht: „Wat loopt ze te brommen, als ze open moet doen! Dat kon ik er toch eigenlijk best bij waarnemen, als ik hier ben.” En zo kwam hij langzamerhand op het idee, dat hem weldra geheel in beslag nam.

Hij was ’s middags niet zo oplettend als anders. Hij observeerde de zes toegangswegen tot de brug niet zo goed als gewoonlijk. Peinzend zat hij op zijn krukje recht voor zich uit te kijken, totdat hij plotseling werd opgeschrikt door het geroep van: „Hei! Kikkie! Zit je te slapen?”

Grote genade! Dat was hem nog nooit overkomen! Op een sukkeldrafje liep hij naar den groenteman, die zijn hulp nodig had.

„Zat je te suffen, vader?” vroeg die hem nog ten overvloede.

„Neen dat niet. Maar je kunt zo wel eens wat hebben, waarover je zit te denken.

„Zeker! Zo kun je het ook noemen,” zei de groenteman.

t Was geen wonder, dat Kikkie niet zo goed bij de zaak was als anders. Hij zat te piekeren over de vraag: of het zo moeilijk zou zijn, om herenknecht te wezen! „Mijnheer Bruins” had het aan de longen, had Mina gezegd, „’t Was niet te verwonderen,” zei ze er bij, „altijd opendoen, weer of geen weer. Dan blootshoofds aan die tochtige deur staan, als je uit de warme kamer kwam. ’t Was niet alles. Ze zou blij wezen, als zij er weer af was. ’t Kon best nog een hele tijd duren, eerdat Jan terug was, en zij wou, dat mevrouw zo lang maar een schelle-meisje nam.”

Sluiten