Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET KAMELEON.

Een Vreemdeling wandelde aan de kust.

Waar de asch van ’t groot Carthago rust;

Daar kwam een Tweede hem te moet,

Als landsman kenlijk, bij zijn groet.

Men zet zich neer, en ’t lijdt niet lang,

Of ’t reisverhaal is drok te gang;

Elk brengt wilvaardig voor den dag,

Wat raars of schoons hij zwervend zag.

Tot A. begint: „Het koddigst Dier,

Mij ooit bejegend, huisvest hier;

Van maaksel schier een hagedis;

Zijn staart — lang tien duim naar ik gis:

De tong voor mug en vlieg te gauw;

En nu de kleur? — denk! hemelsblauw!”

„ „Blauw! blauw!” ” smuilt B. ,, „’k Herken uw Beest Maar, Vriend, dat is nooit blauw geweest.

Men hiet het een Kameleon.

Ik vond het schuilend voor de zon In ’t lommer van een dadelbosch;

Daar kroop het, net zoo groen als t mos!

„Noch boom, noch struik, een mijl in ’t rond,

Waar ik het MIJNE kruipen vond:

Ginds aan dien naakten puinhooptop.

Het volle daglicht scheen er op;

Geen mooglijkheid tot oogbedrog;

En ’t Beest was blauw; dat zeg ik nóg!

Sluiten