Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog andren kenden ’t hoogst genot,

Een mensch op aard gegeven,

Om in zijn kring het doode stof Een stem te leenen, God ten lof,

De bron van alle leven, —

Eén onder hen, niet wijd befaamd,

Maar schilder!.... schoon — Frans Hals genaamd.

Frans Hals! — Dat was geen spadassijn,

En, zoo hij pronken wilde,

Hij droeg — en ’t was op zijn manier —

Als Euverman den bandelier Van ’t glazenmakersgilde.

Maar kunstnaar?! — Zweeg der volken stem — God en zijn binnenst noemden t hem.

In Haarlems veste sleet hij stil Als burgerman zijn dagen;

En, zoo hij in zijn schilderslot Bij ’t daaglijksch brood den goeden God Nog iets voor zich mocht vragen,

’t Was: „Heere, vóór mijn stervensdag, Och, dat ik dien Van Dijck eens zag!”

Soms stond hij lang in stil gepeins Voor één van ’s meesters stukken En sprak dan met een diepen zucht:

„Wat kleur! wat toets! wat diepe lucht!

Zoo zal ’t mij nooit gelukken....

Och! dat ik eens aanschouwen mocht Den maker van zoo n kunstgewrocht.

Sluiten