Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op eens — daar wordt zijn werk gestoord:

De klopper dreunt van buiten Met dubblen weerslag op de plaat,

Dat mops aan ’t brommig keffen slaat,

Aan ’t rammlen al de ruiten.

Frans vliegt; hij denkt: „een Regentes! Doet op: — een vreemdling vraagt accès.

Een Heerschap was het, rijk gedost:

Een hoed met roode veder,

Een fulpen mantel, kanten kraag,

Een gouden keten, en omlaag:

Satijn in ’t gele Ieder,

Twee sporen, rinklend vol gezag Maar om den mond een heusche lach.

Twee lange knevels, hoofsch gekruld,

Bij ’t bruin der vriendelijke oogen, — Een teedre blos op ’t schoon gelaat, Waar ’t blonde hoofdhaar wel bij staat: Ziedaar het beeld voltogen Des mans, gelijk in halven schrik Frans Hals hem zag bij d’ eersten blik.

„Ei, meester!” sprak de vreemdling gul,

„Zoo vroeg reeds voor den ezel?

’k Had om ’t ontijdig uur, vertrouwd,

Dat gij nog ledig wezen zoudt.”

Frans trilde in elke vezel.

„Had soms het Heerschap ” vroeg hij schuw,

„Me iets op te dragen? ’k Zou voor u ”

Sluiten