Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij steekt zijn kwastjes door ’t palet;

De Heer, met gapende oogen,

Ziet nu den man, dan ’t kunstwerk aan En roept: „Dat hebt ge wel gedaan!

En t uur is omgevlogen!

Maar hoe! daar slaat voor ’t eerst de kerk, Een klein half uur — voor meesterwerk!”

De vreemdling roemt in Frans’ talent.

De schilder schertst er onder En lacht, en huichelt: „dat er meer t Zoo zouden kunnen!” Maar de Heer Noemt Frans het schilderswonder;

’k Nam ook wel, maar als dilettant,”

Zoo zegt de Heer, „’t penseel ter hand.”

„’t Is lang geleden, — maar — ik zou ”

Vervolgt hij, en zijn handen Glijdt straks de witte handschoen af,

„Zoo men mij verf en oorlof gaf,

Nog bijna watertanden,

Om eens een enklen streek of wat....” „Welnu!” riep Frans, „Mijnheer, fiat!”

„Hier hebt ge verven en penseel.”

„En gij, gij strekt,” sprak de ander, „Mij tot model! Vlug, op de bank!

Ik schilder u op de eigen plank,

Ons beiden naast elkander.”

Het Heerschap werkt een paar kwartier En roept: „’t Is klaar, sinjeur! zie hier!”

Sluiten