Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar treedt de goede schilder toe En staart zijn beeltnis tegen:

Hij ijst, hij trilt, hij kijkt alweer,

Blikt naar de handen van den Heer,

En, totterdood verlegen,

Schreeuwt hij in ’t eind, bleek als een lijk: „Gij zijt de duivel of — van Dijck! ”

Frans valt den Vlaming aan de borst Zijn vreugde kent geen palen;

Dat hij geen Duivel voor zich ziet Behoeft Van Dijck den kunstbroer niet Te zeggen en te herhalen!

Van Dijck, op weg naar Engeland,

Was Frans bezoeken in passant.

Hij stelde Frans’ verdiensten hoog;

En, of hij in zijn schatting Zich ook bedrogen heeft misschien,

Dat kunt gij op t Stadhuis gaan zien:

’t Is knap! — naar mijn bevatting.

En, wie dees’ meening soms niet deel,

Hij laat’ zich overzetten Naar Londen: daar is nog ’t paneel (Het onwaardeerbaar kunstjuweel),

’t Paneel der TWEE PORTRETTEN !

J. A. Alberdingk Thijm.

Uit: De twee Portretten. Amsterdam, C. L. van Langenhuyzen.

Sluiten