Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En daarbij had hij een kop stug ruig strooiig haar, en z’n oren weken van z’n hoofd af: rode dikke flappers van oren. — Zijn tanden waren groot en fel-wit en leken te grijnzen als hij sprak — daarbij kwam nog dat hij twee van zijn onder-snijtanden miste, waarschijnlijk door een opstopper van een kameraad of een val met ’n paard.

Zijn handen waren groot en rood; als hij de pijp nam greep hij die in volle vuist met een krampachtige bijna wrede verwrongen houding die doorliep tot in z’n brede pols. „Ik kom van Henry Macdonald.”

Hij knikte stug. Ik vertelde hem waar het om ging, ik wilde mijn weg afkorten, over de rivier, en de baas had gezegd....

„Allright,” sprak kort en beslist.

Hij wendde zijn paard terstond in noord-oostelike richting; ik reed naast hem terwijl we geen woord spraken.

Ik vond hem al dadelijk een onaangenaam mens, stug, lomp, onbetrouwbaar, van dat hout, ging het in me, moeten de ouderwetse baanstropers en koppensnellers gesneden zijn geweest.... Ik had eigenlijk spijt dat ik me aan zó iemand ging toevertrouwen om twee gevaarlijke rivieren over te steken.

Hij zet je op het ijs en laat je verzuipen als ’n oude hond, stormde het in me — hij zal er geen natte vinger voor over hebben om iemand uit het water te vissen....!

Neen, op het uiterlijk afgaand, beviel Ed Anderson me niet; het verwonderde mij, dat Henry Macdonald, een man zo oprecht als een uitwaaiende vlag, mij naar hem verwezen had

Het was een parelende dag, het vroor een beetje, de zon schitterde, de wijde prairie was zijn winterkleed aan ’t uitdoen, hier en daar kwamen de toppen van nollen en heuveltjes mt de sneeuw te voorschijn met een kleur van oud goud.

De wereld werd weer nieuw en levend — kwam de altijd jeugdige zomer niet na de lange taaie winter?

Ik haalde de strijdende frisse schoonheid van het wordende nieuwe zomertij met ogen en longen op — en begon opeens te denken aan het dodend-koude water van een winter-rivier waarin

Rijpma, Jonge Kracht. I.

23

Sluiten