Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het ijs weldra zou breken — misschien op het punt stond om te gaan kruien.

Neen, bij deze uiterlijke schoonheid der dingen mocht ik er niet aan denken door brekend ijs te schieten en tussen puntige schotsen voorgoed te verdwijnen.

En toch, wat is er verraderlijker dan een ijsdragende rivier in het voorjaar ? Spoelend en malend schiet het water onder het ijs voort, boort zich een weg in de vaak tot op de bodem bevroren rivier. —

En niemand die de slechte plekken zo kan zien. — En als het dan overdag gedooid heeft en ’s nachts weer gevroren, en er een egale rijp ligt overal....

Heb ik eens niet een man een bijl zien nemen — het was midden winter en de rivier op plaatsen zes voet dik bevroren — en op ’n bepaalde plek een slag geven op dat ijs en het water opspuiten als van een fontein! —

Ik weet het, ik weet het, de voorjaarsrivieren in dit land zijn soms zo gevaarlijk gezwollen dat er bijna niets te gebeuren heeft

— een harde klap, een zware stap, een kreet of een stomp misschien!

— of het ijs schiet op en barst los —!

Neen, in dit koud verraderlijk ijs wil ik niet ondergaan!

„Is het erg gevaarlijk?” wend ik me opeens naar Ed Anderson.

Hij houdt zijn wantrouw-wekkend hoofd tot me en ziet mij bijna bang-makend aan:

„Och, je bent om deze tijd nooit zeker van ’t ijs.”

En dan, na een ferme trek aan z’n pijp en een ruim-pluimend uitblazen van de rook boven t hoofd van z n paard:

„Maar, waar is ’n mens nu wel zeker van?

Dat is zijn filosofie; ik weet het nu, zo’n beetje tartaars: je bent er nooit zeker van. En ik merk het, naast hem rijdend, tot diep in m’n hart, dat ik lang niet zeker ben, net als die „’n mens” waar hij het over heeft. Ik zou eigenlijk het liefst terug willen keren. Maar is dat niet verschrikkelijk laf ? De man rijdt zo rustig naast me, terwijl de zon fris en kalm schijnt, zo gewoon en stevig levend, dat ik voorlopig maar doen moet als deze Ed Anderson! kalm en gewoon en steviglevend, trekken aan je pijp en afwachtend, afwachten.

Sluiten