Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te keer ging met een vreemd geluid als van een verre val in de bergen.

Ed stond maar even, hij stapte dadelijk bij bet gevaarlijke gat vandaan met z’n twee honden vlak bij hem, omkijkend.

Een twintig meter verder stond hij stil en bracht de hand aan de mond:

„Hij viel!”

Dat was tegen mij, over zijn verongelukt paard.

Ik stak hopeloos een hand omhoog; ik kon geen woord over m n verstarde lippen krijgen. Wat had ik moeten zeggen?

Mijn God! mijn God! gingen m’n bange gedachten, elk ogenblik kan de rivier verder openscheuren en hij is ’m!

Opnieuw bracht hij de hand aan de mond; hij meende waarschijnlijk dat ik hem niet verstaan had:

„Hij viel!”

Zijn stem klonk even vast als tevoren.

„Allright!” schreeuwde ik terug, om maar ’n geluid van me te geven; en daarna heel hard met de hand aan de mond: „Jammer!

Omhoog nu de hand van Ed:

„Goodby!”

Hij draaide me de rug toe en ging met z’n honden. Ik tuurde hem na tot hij de over-oever bereikt had en achter een glooiing verdween van het wijde eenzame land.

Hij keek niet op of om, stappend gestadig en vast.

Nog lang stond ik te staren naar het donker gat midden in de rivier — gulpend schoot het water over het ijs en liep uit in een levende donkere baan tot in de witte verte.

Kees Meekel.

Uit: De laatste Cowboy. De Gemeenschap, Utrecht.

Sluiten