Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LANGS MOEDERS GRAP).

(VERHAAL VAN KRELIS)

’t Was de eerste thuiskomst na haar sterven;

Wij haalden hem van boord.

Hij pakte en kuste ons honderd werven,

Maar sprak geen enkel woord.

Een tijd lang stond hij in gedachten En zag ons zwijgend aan;

Op eenmaal kreeg hij moed en krachten,

En zeide: „Laat ons gaan.

Het kleine Stijntje werd gedragen,

Ik bij de hand gevat,

Op eens de Kerkstraat ingeslagen,

In plaats van ’t Achterpad.

Verwondering heb ik niet doen blijken;

Benepen zweeg ik stil;

En had ’t hart niet op te kijken,

Al had ik ook den wil.

Maar toen wij langs het kerkhof togen,

Zijn hand de mijne neep,

Zag ik hem aan met vochtige oogen,

Ten blijk dat ik ’t begreep.

„Had ik dien blik maar niet geslagen!”

Herhaal ik duizend keer:

’t Gelaat, dat toen mijn oogen zagen,

Vergeet ik nimmermeer.

N. Beets.

!) Uit: „Ons Visschersvolkje”, bijschriften van Beets bij twaalf gravures naar schilderijen van Jozef Israëls.

Sluiten