Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRIESE GASTVRIJHEID.

In de nabijheid van een kleine inham, en niet ver van de oever der binnenzee die weleer, toen zij nog de naam van het Flie-meer droeg, de heerkoggen van Rome op hare golven gedragen had, lag in de aanvang der twaalfde eeuw, de hoeve van Jeltze Kreilinga.

Jeltze Kreilinga was de weduwe van den laatsten mannehjken afstammeling der oude eigenaars van het bos Kreil en van de velden en wateren, in de omstreek er van gelegen; en hoeveel de zee er van tijd tot tijd van had verzwolgen, was het nog een bezitting, die, hoewel niet door de innerlijke waarde van de grond, evenwel door hare uitgestrektheid aanmerkelijk kon genoemd worden. Hare dochter en enig kind, nog bij het leven van den ouden edeling Kreilinga aan den zoon van zijn naasten buurman en trouwsten vriend uitgehuwelijkt, was haar vader spoedig in de dood gevolgd; gelukkig, dat de oude vrouw in haar kleinzoon, Juw Galama, het enigste kind harer dochter, een voorwerp vond dat hare hulp en verpleging behoefde, en op hetwelk zij hare liefde kon overbrengen. Zij had hare dochter nog niet geheel verloren, zolang zij den kleinen Juw behouden mocht, en met recht voedde ze de hoop, dat hij, zijn grootvader en vader waardig, eens zijn geslacht tot eer zou verstrekken.

Op een dier herfstdagen, welke het voor eiken vreemdeling, die bij toeval deze landstreek bezocht, onbegrijpelijk deed voorkomen, dat er nog mensen waren, die uit vrije wil hier bleven wonen, zat Jeltze in hare hoeve bij het vuur. De wind, die tegen de avond was losgebarsten en nu zijn geweld toonde, waaide gelukkig uit het noordwesten, en terwijl hij den bewoner der kust van de grote zee met vernieling dreigde, vonden de bewoners van Kreilingaweerd zich door het bos beschut; evenwel moest men gewoon zijn het huilen van de wind hier te horen, om niet nu en dan met bezorgdheid het oor te lenen aan de vreemde geluiden, die zich lieten horen. Wat Jeltze betreft, zij scheen zich, zowel als zij die zich met haar

Sluiten