Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hand aan de haard plaats namen. Wat de gasten betrof, op kleding en huisraad viel wel geen pracht te berispen, het ene noch het andere kon hun wangunst opwekken; ook uitte niemand door woorden of daden iets dat hun stof tot ongenoegen kon geven; maar het scheen, of het woeste en ruwe voorkomen der dienstmannen van Jeltze hun niet beviel of hen niet geruststelde. Klonk aan de ene zijde het Hollands de Friezen onaangenaam in de oren, de vreemde jagers luisterden met schrik naar de halfluid uitgesproken woorden in een hun geheel onbekende taal. Want behalve een paar woorden, waarmede Juw zich verwaardigd had hun te zeggen, dat zij in de woning ontvangen zouden worden, hadden zij nog niets kunnen verstaan, dan hetgeen Jeltze tot hen gezegd had.

Intussen had de huisvrouw enige bevelen gegeven, en na de gasten, ofschoon tevergeefs, het aantrekken van droge klederen aangeraden te hebben, zich aan de haard nedergezet. De vreemdeling toonde zijn bevreemding, toen hij de met zilveren beslag versierde drinkhoorn aan de mond zettende, die Rieme hem aangeboden had, bemerkte dat men hem niet alleen wijn, maar zelfs zeer goede wijn geschonken had. „De heilige Hubertus moge getuigen,” riep hij, „dat ik niet gedroomd had, hier wijn, veel minder zulke wijn te drinken!” maar, alsof hij gevoelde dat zijn uitroep te veel geringe verwachting te kennen gaf van het onthaal dat men hem doen zou, zo vervolgde hij schielijk: „Dat is te zeggen, beste gastvrouw! dat het omzwerven door het woud en door poelen en moerassen mij wel op een teug water, of desnoods slecht bier, maar niet op wijn had doen rekenen. Hebt gij bier? zo geef het ten minste aan die twee kerels; want deze wijn is te goed voor gemeen volk.

„Heer!” antwoordde Jeltze. „Friesland is geen wijnland; doch de scheepvaart brengt het ene en haalt het andere, en wij hebben, de Hemel zij geloofd, nog koopmanschap genoeg, om onze gasten de wijn te schenken die ons voor onszelven te kostbaar is; en, wat het bier betreft, het is tot uw aller dienst; maar ook uw gezellen kunnen wijn drinken; er is meer! Ofschoon ik u heer noem, maak ik geen onderscheid tussen den meester en den knecht: zij zijn beiden mijn gasten.’

Sluiten