Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tafel naderde. Het deed haar daarom genoegen toen Juw uit eigen beweging zelf zijn dienst aanbood: doch de goede bedoeling werd niet naar waarde erkend: het koele antwoord en het voortgaan met versnelde tred bewezen hem, dat men zijn hulp niet begeerde. Ofschoon Jeltze en haar kleinzoon reeds lang het avondeten genuttigd hadden, plaatsten zij zich evenwel aan de dis, terwijl Rieme moest zorg dragen dat het aan niets ontbrak; ook hier gaf keur van spijs en drank en de bewerking en stof van het weinige tafelgereedschap, dat er gewoonhjk bij een Friese maaltijd gebruikt werd, te kennen dat men de gasten alle mogelijke eer bewijzen wilde. Vier dienstmannen, die een brandende houtspaan in elke hand hielden, plaatsten zich, als even zovele levende kandelaars, achter de disgenoten en verspreidden een helder licht over de tafel, en op last van Rieme werden de honden van den edelman ook van spijzen verzorgd.

Juw en zijn grootmoeder proefden slechts aan de spijzen, en ofschoon de jonge Fries op een andere tijd wellicht zich te buiten gegaan zou zijn in het drinken, alleen om te tonen dat er op Kreilingaweerd geen gebrek was aan wijn, zo scheen hij heden het voorbeeld der gasten te volgen; want sedert de edelman aan twee zijner gezellen herinnerd had dat hij niet hield van dronken volk, werd er met mate gedronken.

Als met algemene afspraak vermeed men van beide zijden iets te zeggen dat reden tot geschil zou kunnen geven; de beste eensgezindheid scheen op den duur te zullen heersen; men kon zien dat het Jeltze leed deed, dat de edelman, zo het scheen, veel pijn aan de arm gevoelde, en zijn lust tot eten daardoor merkelijk verminderd werd. Ofschoon de dienstmannen nu en dan halfluid enige woorden met elkander wisselden, hinderde dit de aan tafel zittenden niet; doch plotseling zeide Jouke luid: „Er komen nog meer gasten aan, daar wordt getoet! Er heerste een ogenblik stilte; nog liet de wind en regen zich buiten horen, toen Juw luid riep, terwijl hij opstond: „Ruird!

De vreemdelingen, die het gezegde van Jouke niet verstaan en niets vreemds gehoord hadden, zagen hem verwonderd aan, zo bevreemdden hun zijn doen en de ruwe klank van de uitgesproken naam.

Sluiten