Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch zo, dat het gelaat onbedekt bleef, richtte Jeltze dus zelve het woord tot Ruird en vroeg hem de reden van het ongeluk. De oude had zich tot nog toe verscholen achter de anderen; nu moest hij echter voortreden, en hij zeide aarzelend: „Het is een droevige dag geweest voor Friesland, maar dubbel droevig voor den ouden Ruird! De boze geest gaf den edeling in, van voornemen te veranderen en naar de hoeve van Sitze Poppes te gaan; maar wij zijn er niet geweest!

„Naar Sitze Poppes!” herhaalden de dienstmannen halfluid, terwijl zij elkander toeknikten en naar het westen wezen, tot bewijs van enerlei gedachte, waarna de oude vervolgde: „Toen ontmoette mij een koopman van Stavoren; ik, arme man, vroeg hem naar nieuws; waarom had hij ook gehoord, dat er gejaagd werd in het woud?

„Gejaagd?” vroeg Juw hevig, en Ruird hernam: „Ja, gejaagd! De edeling wilde er heen; de boze Staf deed hem niet luisteren naar de raad van den man, die hem als kind gedragen heeft. Wij keerden niet terug, gingen zelfs niet eens naar Sitze, maar dadelijk op weg, en het was waar: er werd gejaagd!

Op hetzelfde ogenblik zagen al de dienstmannen elkander aan en toen naar de vreemdelingen bij de haard; ook Juw scheen met dezelfde gedachte vervuld; want hij sprong op en vroeg dreigend, zodat Ruird verschrikt terugtrad: „Gejaagd! spreek je leugens, oude! wie was zo stout, te jagen op mijns vaders erf?

„Die het reeds meer gewaagd had, Juw! die den ouden Ruird had laten slaan, die hem de honden —

„De graaf!” riep Juw, en het was, alsof de beamende hoofdbuiging van Ruird hem even sterk bevreemde en teleurstelde als het dit de dienstmannen deed en de oude vervolgde: „Uw vader vorderde erkenning van recht en vergoeding van schade; de Hollander weigerde en eiste toornig eerbied en onderdanigheid — van een Fries, van Galo Iges! Daar kon niet anders op geantwoord worden dan met de wapenen: uw vader draalde niet: reeds één stoot ontving de vreemdeling, die een Friese hand hem toebracht; maar hij had vijf gezellen nevens zich — en uw vader werd vermoord! Toen gingen zij het bos in; doch twee, die zij medevoerden, zullen zeker nu even koud zijn als de edeling.

Sluiten