Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ha, Floris!” borst Juw los; doch hij veranderde van gedachte, zag Ruird dreigend aan en zeide: „Die twee Hollanders waren tenminste trouw — en gij, een Fries! — gij liet uw edeling vermoorden?”

„Juw! riep de oude droevig, de handen wringend: „Ruird is oud van dagen, en de Hollander had vijf dienstmannen; kan ik het helpen, dat mijn bloed nutteloos gevloeid heeft? Zie ”

„Slaaf!” viel Juw hem met verachting in de rede, „een brave Fries zou zijn heer gewroken hebben. Ik had u niet weer moeten zien; gij.... ’ doch hij vervolgde niet, toen de oude voor zijn voeten nederviel en het hoofd wanhopig ter aarde boog; hij gevoelde medelijden met Ruird, wien hij zo hard gevallen was, en riep somber, terwijl hij zich voor het hoofd sloeg: „En wat heb ik gedaan?” — Maar die moedeloosheid maakte weldra weder voor andere denkbeelden plaats; hij zocht naar een voorwerp, dat hij met zijn toorn kon treffen; daarom sprong hij over den oude heen, drong door de dienstmannen en de vrouwen, en riep luide: „Dat heeft Friesland te danken aan uw meester. Ha! een goed landsheer, die zijn edeling vermoordt!” Hier zweeg hij en vroeg toen dreigend: „Behoort gij wellicht tot zijn jachtgezellen!”

Noch de edelman, die zich nedergezet had, noch zijn knechten gaven enig antwoord: het was, alsof zij zich achter de haard een wijkplaats gezocht hadden tegen de wraakzucht der Friezen, die hen wellicht konden verantwoordelijk stellen voor de dood van den edeling. Vóórdat Juw echter zijn vraag kon herhalen, of Jeltze hem vermanen de vreemden met rust te laten, riep Jouke uit: „Het bloed begint te vloeien!”

„Dan is de graaf in de nabijheid!” riep Ruird verheugd, en al de dienstmannen en vrouwen herhaalden dreigend, doch halfluid, als vreesden zij dat het buiten mocht gehoord worden: „De moordenaar nadert!” De wraakzucht, die de Friezen scheen te bezielen, werd aan de andere zijde van het vertrek met ongerustheid bemerkt. Voor Juw waren de woorden van Jouke een blijde tijding geweest. ,St. Odolf zij geprezen!” riep hij met vuur, en Jeltze sloot hem in haar armen en zeide verheugd: „Mijn zoon! gij zult uw vader wreken. De Hemel is de Friezen niet geheel

Sluiten