Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeten; ook Holland zal in rouw zijn, als Galama begraven wordt!” Het was zelfs of Rieme er niet aan dacht, dat het lot van den vader ook den zoon treffen kon, zo dankbaar sloeg zij haar oog ten hemel.

Had de vermindering van het vuur, daar niemand er aan dacht het te onderhouden of voor de vuurpan te zorgen, Juw niet verhinderd het gelaat der vreemdelingen nauwkeurig gade te slaan, te meer daar de houtspanen die aangedragen waren, genoegzaam waren opgebrand, dan zou hij bemerkt hebben dat de woorden van zijn grootmoeder bijzondere indruk op hen schenen te maken. Ofschoon zij alleen de vraag van Juw verstaan hadden, schenen zij evenwel zeer goed te begrijpen wat er voorviel; doch reeds hun houding tekende klimmende ongerustheid, en Juw vroeg daarom schamper: „Denkt gij, vreemdeling! dat uw meester zijn recht ook tegen den zoon van den vermoorden vader zal durven staande houden?” en deze keer liet het antwoord zich niet wachten; want de edelman antwoordde luid en zonder aarzelen: „Ja, dat zal hij!

Dat antwoord hetwelk men uitgelokt had en had moeten verwachten, klonk vreemd in de Friese oren; de toon van den edelman was te dreigend, vooral in zijn toestand; ook antwoordden de Friezen, geen hunner uitgezonderd, met een uitroep van woede of ongenoegen. Zelfs Jeltze rekende het antwoord in dit ogenblik te straf voor een gast en wilde zich vóór Juw plaatsen, om den vreemde tot zwijgen te vermanen en haar eigen volk de vrede te bevelen. En dat voornemen scheen niet onnodig; doch Ruird, die bliksemsnel was opgesprongen, kwam haar voor en plaatste zich vóór den jongeling. De gebalde vuisten tegen de borst drukkende, stak hij het hoofd vooruit, en, terwijl hij naar de adem hijgde, zag hij met woeste vreugde naar de zijde van de haard.

Een ogenblik heerste er een diepe stilte, waarna de edelman met moeite zijn zitplaats verliet; doch weldra richtte hij zich op en zeide luid en met waardigheid, vóórdat Ruird, die van woede niet spreken kon, in staat was een woord te uiten: „Ik zelf ben graaf Floris, heer van Friesland!”

Er behoorde veel moeds toe, zelfs voor een graaf, ofschoon zijn

Sluiten