Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoon niet langer onbekend kon blijven, zich zelven te noemen, zich heer van Friesland te noemen op Kreilingaweerd, terwijl het koude lichaam van Galo Iges Galama, die door zijne hand gevallen was, daar bloedend nederlag, en de haat dien Juw hem toedroeg, reeds lang geen geheim meer voor hem kon zijn. Deze vermetelheid grensde aan het waanzinnige: zelfs zijn gezellen schenen zulks in te zien. Hun laatste hoop op behoud van hun leven verdween; zijn stem klonk hun als een doodvonnis in de oren; hetzelfde lot, dat hun makker en den gids in het bos getroffen had, stond ook hun te wachten.

Dat niemand op het denkbeeld was gekomen, dat de graaf zich op de hoeve bevond, laat zich alleen hierdoor verklaren, dat niemand in den vreemden en niet prachtig gekleden jager, vergezeld door zo weinig gevolg, den machtigen graaf herkend had, die Friesland gedeeltelijk aan zijn heerschappij had onderworpen: geheel anders hadden zij zich den gehaten landsheer voorgesteld. Zij konden niet beseffen, dat de graaf, na hetgeen er met Galama had plaats gehad, de stoutheid gehad zou hebben zich nog dieper op het betwiste grondgebied te wagen, en bij een Fries nachtverblijf te vragen, en dat hij zo geheel onkundig zou zijn, wie de hoeve aan de zee bewoonde, iets hetwelk eiken Fries bekend was.

Jeltze verried het eerst, wat haar hart gevoelde, en wel door een uitroep van jammer; Juw daarentegen en al de Friezen gaven een kreet van woede. De koenheid van Floris had ook zijn vijanden een wijl met stomme verbazing doen zwijgen, doch hen nog meer verbitterd. Of het besluit van den graaf zich zijn vermetelheid als schild te kiezen, hem redden of verderven zou, of hij er iets bij op het spel zette, liet zich moeielijk bepalen; evenwel was het den vorst en ridder waardig; ook haastte hij zich het woord nogmaals te voeren en zeide ernstig: „Wij hebben een onzer edellieden gestraft, omdat hij het ontzag uit het oog verloor en zijn wapen tegen ons keerde; doch, wat de vader deed, zal door ons niet op den zoon, wat de meester misdreef, niet op zijn dienstmannen verhaald worden; maar elke nieuwe belediging, onzen persoon aangedaan, zal in Friesland nog honderd jaren daarna met schrik herdacht worden!

Sluiten