Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een woest en honend gelach was het antwoord van Juw op deze verzekering van grafelijke genade, het snellen naar de wand en het grijpen van een jachtspriet het antwoord op de bedreiging. „Het zal u heugen, uw landsheer geherbergd en niet gevreesd te hebben,” riep Floris, die de schede van zijn jachtmes afschudde, terwijl de edelman en de knechten die hem vergezelden, de wapenen in de hand namen, in de nabijheid van welke zij zich wijselijk geplaatst hadden. Al de Friezen hadden zich in een oogwenk gewapend met alles wat hun onder de hand was gekomen; alleen het buigzame zwaard bleef aan de wand hangen; iedereen scheen, evenals Juw, het vreemde wapen te verachten of te mistrouwen.

Zodra beide partijen de wapenen hadden opgenomen, kon men het lot, dat den graaf en zijn volgers wachtte, reeds voorspellen. Als ware de jongeling niet reeds genoeg gerugsteund door de dienstmannen van Jeltze en door het volk dat Ruird geholpen had zijn meester te dragen, zelfs de vrouwen toonden haar voornemen en woest verlangen, deel te nemen aan de ongelijke strijd. Het scheen dat de razernij en de kreten dezer vrouwen de moed der twee jachtgezellen geheel uitdoofden. Zelfs de graaf en zijn edelman wisselden een blik van ontzetting; het was voor het eerst dat zij met vrouwen zouden strijden; zij hadden er op gerekend door de Friezen gedood, niet door vrouwen verscheurd te worden. Zij drongen dit verschrikkelijk denkbeeld evenwel mannelijk op de achtergrond van hun geest terug, en de graaf overwon de smart zijner wonde en zijn afgematheid, om te sterven, zoals het een vorst betaamt, toen Juw vooruittrad.

Gelukkig rekende Floris zich dat allen, zelfs Ruird, het recht van den jongen edeling om aan de spits te gaan, eerbiedigden, dat niemand dezen scheen te willen betwisten, dat het hem toekwam, zijn vader met eigen hand te wreken, ofschoon hij voorzag dat de ganse horde, bij de eerste aanraking der wapenen, met tomeloos geweld voorwaarts zou dringen, en hem en de zijnen ter aarde werpen. Was wellicht de hoop den zoon te straffen, evenals hij het den vader gedaan had, nog een strelende gedachte voor den graaf?

Geen vrees voor zijn leven, maar wel de vrees zijn vader niet te kunnen wreken, deed den jongeling met afgemeten schreden

Sluiten