Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overtuigd worden, dat een Fries dapperder is dan een Hollandse graaf! Hij is mijn! — later hebbe hem ”

„Galama!” riep Floris, vergetende waar hij zich bevond, van welk gewicht elk woord was, en niet achtende, dat het geluid zijner stem in de hoeve voor hem en de zijnen even noodlottig kon worden als het geschal van een hoorn te midden van het gebergte met eeuwigdurende sneeuw bedekt, voor den vermetelen jager. Doch Jeltze wenkte met de hand, en de graaf vervolgde niet; toen zeide zij langzaam: „Uw grootmoeder heeft die overtuiging niet nodig; wat bekommert gij u om de overtuiging van een moordenaar, van een Hollander? Zal er later niet genoeg gelegenheid zijn om, zonder een heilig recht te schenden, bewijs te geven van uw moed, om uw edelen vader bloedig te wreken?”

„Heilig recht?” riep Juw verbaasd; „mijn vader later en niet nu wreken? Heb ik het wel gehoord, moeder! Of is Juw met doofheid geslagen? Maar neen, ik bedrieg mij; de jaren hebben het gevoel nog niet bij u uitgedoofd; uw hart blijft niet koud als het vaderland beledigd is, als uw kinderen vermoord worden. Mijn grootmoeder zal zich niet laten verschrikken door een ijdele bedreiging; hij die daar staat, daar! schuilende achter een vrouw, hij zal de eerste graaf van Holland niet zijn, die door een Friese hand gevallen is, en ook de laatste niet, zo er na hem nog anderen komen die het durven wagen, zich onzen landsheer te noemen!”

„Mijn kleinzoon zal zijn wapenen niet gebruiken tegen een ongewapend man, zelfs al is die man een graaf van Holland,” zeide Jeltze ernstig, terwijl Floris van toorn sidderde; doch Juw hernam snel en dreigend: „Ik heb hem de wapenen niet ontnomen, moeder! Laat hem ze terugnemen; maar, gewapend of niet, die graaf is een moordenaar, en ik, ik zal hem straffen!”

„Hij is een moordenaar!” herhaalden de Friezen morrend met doffe stem; maar Jeltze vervolgde even ernstig en met verheffing van stem: „De Hollanders zijn de gasten van uw grootmoeder! Ik heb ze ontvangen aan mijn haard en aan mijn dis; zij zullen veilig zijn onder mijn dak, totdat morgen de zon opgaat; want dat heb ik beloofd!”

Sluiten