Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze ellendelingen het leven te laten totdat morgen de dag aanbreekt?” vroeg Jeltze ernstig en met nadruk. Het verwijt dat in deze vraag lag opgesloten, scheen den jongeling te treffen; doch nu hij eens zijn voornemen had te kennen gegeven zich dadelijk te wreken, kon hij niet besluiten het wapen los te laten, dat hij in de hand had genomen, en hij antwoordde somber: „Juw is geen slaaf; daar ligt mijn vader Galama, en zijn bloed roept om wraak; daar staan de moordenaars! Dit huis is het mijne niet: ik heb geen gasten; morgen kunt gij zeggen, wat Juw gedaan heeft; ik zal het verantwoorden. Maar nu zal ik zo waar ik een echte Fries ben....”

„Juw is geen echte Fries!” riep Jeltze, hem met drift in de rede vallende.

„Moeder! ’ zeide hij wrevelig en vervolgde dreigend, terwijl hij den graaf naderde, „ik zal tonen dat ik het ben!”

„Het is genoeg — reeds te veel, vrouw!” zei de graaf met waardigheid, en ook hij wilde een schrede voorwaarts doen; doch Jeltze kwam hem voor. „Kind!” riep zij treurig, terwijl zij Juw in de weg trad, en zij vervolgde met verheven ernst, de vinger op de borst van den jongeling leggende: „Wie het ontzag weigert aan de ouderdom, en de grijze haren zijner grootmoeder met schande wil overdekken, die is geen Fries! Wie den gast wil vermoorden met wien hij aangezeten heeft bij de haard, met wien hij drank en spijs genomen heeft van de dis, die is geen Fries! Hij is ontaard van de deugden der vaderen, hij is geen echte Fries, hij is geen Christen! Hij zal geen huisvrouw vinden in Vrij Friesland; met verachting zal men hem weren uit de Raad; niemand zal hem volgen in de strijd, en zijn naam zal in vervloeking zijn bij het nageslacht! Sla de hand aan mij; ik ben maar een oude, zwakke vrouw, gij zijt jong en sterk; leg de hand op de moeder van uw moeder, terwijl mijn zoon Galama niet meer leeft om mij te beschermen tegen uw woede, en ik verloochen u als mijn kleinzoon! Vermoord mijn gasten in tegenwoordigheid van het lijk uws vaders; hij, de roem van Friesland, zal zijn stem niet verheffen tegen u, want hij is gevallen; hij zal den onwaardigen Fries niet vloeken, die de rechten der gastvrijheid schendt, maar ik; ik zal het doen in zijn naam.”

Sluiten