Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Moeder!” bad Juw angstig en haar met drift in de rede vallende, terwijl de jachtspriet aan zijn vuist ontglipte, en zijn gelaat alle uitdrukking van wraakzucht verloor, en slechts eerbied en diepe droefheid liet bemerken. Toen keerde hij zich om en naderde het lichaam van zijn vader met onzekere schreden; met de linkerhand leunde hij op de schouder van Rieme. Zocht hij troost bij haar, welke hij zo liefhad, of had de krachtvolle jongeling behoefte aan een steun, omdat hij het leven van den graaf moest eerbiedigen?

„Vader! vader! Juw mag — kan u niet wreken!” riep hij droevig, wankelde en viel, terwijl een dodelijke bleekheid zijn gelaat overdekte, op de grond neder, ofschoon Rieme getracht had hem in haar armen op te vangen.

„Ik lach met die vloek, vrouw Jeltze! riep Ruird woest, zodra hij den jongen edeling zag vallen; doch Jeltze hield hem het jachtmes van den graaf voor, en toen hij, ofschoon in de borst gewond, de oude vrouw ter zijde wilde stoten, vatte zij hem bij zijn kleed, terwijl zij haar dienstmannen te hulp riep. Terwijl Ruird, niettegenstaande zijn wederstand, door Epo en enige anderen overmand en gebonden werd, zag Jeltze met droevige ernst naar haar kleinzoon, naast wien Rieme lag nedergeknield.

De graaf wilde het wagen, haar zijn dankbaarheid te betuigen; doch zij wenkte hem met de hand om te zwijgen en zeide op droevige toon: „Gij hebt den vader vermoord, en om u het leven te redden heb ik den zoon moeten vermoorden!

Toen een flauwe schemering de volgende morgen gelegenheid gaf, de gebouwen van Kreihngaweerd te onderscheiden, richtte Jeltze haar schreden naar de ingang van het paalwerk, dat de werf omheinde. De storm was bedaard, ofschoon de wind nog niet geheel was gaan liggen; de oude vrouw scheen ongevoelig voor de vochtige, koude lucht, die door de klederen heen drong. In gedachten verdiept, stond zij met de armen over elkander geslagen; het was, alsof zij luisterde naar het eentonig geklots der golven.

Rieme lag geknield naast de legerstede van Juw, die nog geen woord geuit had sedert hij in haar armen het bewustzijn had verloren; zij bad, het oog steeds gevestigd houdende op zijn bleek

Sluiten