Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de oude vrouw, waagde hij een vraag en zeide: „En uw

kleinzoon, vrouw?” ..

„Juw!” riep zij, terwijl zij hem vorsend aanzag; doch zij vervolgde bedaard, want zij bespeurde dat geen blote nieuwsgierigheid, veel minder een minder verschoonbare gedachte die vraag over zijn lippen gebracht had: „O! mijn kleinzoon? hij leeft, en dat is veel. Gij, Hollanders! gij zijt gelijk aan het riet, hetwelk ootmoedig het hoofd buigt voor elke wind; de vrije Fries is gelijk aan dat geboomte, hetwelk van geen buigen weet; daarom valt het neder of wordt verpletterd, als het zwichten moet voor de storm. Maar de God van Friesland heeft de jeugdige stam weder opgericht en Juw Galama zal den graaf van Holland zelf antwoord brengen op zijn vraag: hij zal....” hier zweeg zij en liet de hand, zakken, die zij naar Floris had uitgestrekt; de treurige toestand waarin Juw nog verkeerde, deed haar vrezen, dat zij te veel beloofd had.

Epo naderde nu en gaf den graaf en zijn metgezellen hun wapenen terug; doch het duurde nog enige ogenblikken, voordat Jeltze gewaar werd, dat haar gasten gereed waren te vertrekken. Noch Floris, noch Epo waagde het, haar te storen in haar overdenking, en de edelman wisselde een veelbetekenende blik met zijn meester, terwijl zij van de hoogte het omliggende land gadesloegen, en met vorsend oog zo diep mogelijk in het geboomte rondzagen. De doodse stilte op de werf en in de hoeve beloofde hun niet veel goeds; zij twijfelden bijna niet, of de Friezen met Juw, of op zijn minst genomen met den woesten Ruird aan het hoofd, wachtten hier of daar verborgen, totdat zij de gastvrije hoeve zouden verlaten hebben om aan hun wraakzucht te voldoen, zonder dat hun dood een schandvlek voor de bewoners van Kreilingaweerd zou kunnen gerekend worden.

Toen Epo eindelijk op een wenk van zijn gebiedster het hek, dat met horden overdekt was, geopend had, zei Jeltze: „Ik geloof mijn plicht als gastvrouw vervuld te hebben; indien ik mij bedrieg, zo spreek!” Doch toen de graaf zich boog en het zwijgen bewaarde, vervolgde zij: „Het is nu tijd te gaan; want gij zoudt niet langer veilig zijn op Kreihngaweerd; vertrek dus haastig; want men zou

Sluiten