Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verder heeft men het onbepaalde en onveranderlijke voornaamwoord oni = men, en een wederkeerend voornaamwoord si = zich; beiden voor den derden persoon.

Opmerking: d = jij, wordt zelden gebruikt; meestal gebruikt men den beleefdheidsvorm vi ook in het enkelvoud.

Vi estas juna 11 bent jong, jij bent jong.

Vi estas juna; Jullie zijn jong.

De ontkenning.

Om een ontkenning uit te drukken gebruikt men in het Esperanto het woordje ne, dat neen of niet of geen beteekent. Dit wordt meestal vóór het werkwoord geplaatst, dus niet zooals in het Nederlandsch, waar „niet" dikwijls achteraan komt, bijv.:

ik loop niet = mi ne iras; de knaap leert niet — la knabo ne lernas.

Vragende Zinnen.

Vragende zinnen worden gevormd, door het woordje öu vóór aan den bevestigenden zin te plaatsen, dus niet zooals in het Nederlandsch door omzetting van den bevestigenden zin, bijv.:

bevestigend: de vader komt = la patro venas.

vragend: komt de vader? = cu la patro venas?

Bij zinnen, die reeds met een vragend woord beginnen, is cu natuurlijk overbodig; bijv. zinnen, die beginnen met de vragende woorden wie, wat, welke, hoe, wanneer, waar.

Bijv.: Wie loopt daar? = Kiu iras tie?

Waar zijt gij? = Kie vi estas?

De voorvoegsels bo- en ge-.

Bo- noemt de verwantschap, die door het huwelijk ontstaat: patro vader bopatro schoonvader

patrino moeder bopatrino schoonmoeder

frato broer bofrato schoonbroeder, zwager

Ge- vereenigt beide geslachten. Men plaatst het voor het mannelijke woord. De j komt er altijd achter voor het meervoud:

patro vader gepatroj ouders

frato broeder gefratoj broer(s) en zuster(s)

edzo echtgenoot geedzoj echtpaar

Sluiten