Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jongen leest het boek.

De jongen kan het boek lezen.

De jongen heeft het boek gelezen.

In bovenstaande zinnen komt het werkwoord „lezen” in verschillende vormen voor, soms tezamen met nog een ander werkwoord. Deze verschillende vormen, die een werkwoord kan aannemen, heeten de vervoeging van het werkwoord. Wordt er nog een ander werkwoord bij gebruikt, dan heet dat tweede werkwoord een hulpwerkwoord.

Hulpwerkwoorden zijn o.a.: hebben, zijn, worden.

Koppelwerkwoorden.

Er zijn ook werkwoorden, die aanduiden hoe of wat iemand of iets is, wordt, lijkt e.d. Dit zijn de koppelwerkwoorden. Het zijn:

zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heeten.

Koppelwerkwoorden vormen tezamen met het volgende bijvoeglijke of zelfstandige naamwoord het naamwoordelijk gezegde:

De jongen wordt groot.

De jongen heet Piet.

Lijdend voorwerp.

Behalve het gezegde is er in een zin meestal ook een onderwerp en een lijdend voorwerp. Het onderwerp is het zinsdeel, dat de handeling, die in het gezegde wordt genoemd, verricht. Men vindt het onderwerp door voor het gezegde „wie” of „wat” te plaatsen. Het antwoord op de aldus ontstane vraag is dan het onderwerp:

De jongen valt. Wie valt? de jongen = onderwerp.

Het boek ligt op de tafel. Wat ligt? het boek = onderwerp.

Van het onderwerp zegt men nu: het staat in den eersten naamval. D.w.z. het krijgt geen uitgang.

Voorts is er in de zin vaak een lijdend voorwerp, d.i. het zinsdeel, dat de werking van het gezegde ondergaat. Het lijdend

voorwerp vindt men gemakkelijk door te vragen: „wie wordt ?

of: „wat wordt ?”. Hierachter vult men dan het gezegde in:

De vader roept den zoon.

Wie roept? de vader = onderwerp.

Wie wordt geroepen? den zoon = lijdend voorwerp.

Sluiten