Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vertaling:

La avo estas surda. La vizago de la fraülino estas pala; si havas brunajn okulojn kaj rugajn harojn. La cevalo de la onklo estas granda kaj bruna, gi kuras tre bone. La vetero estas hodiaü malvarmega. Mi venas de la avo kaj nun mi iras al la frato. Kiu diras, ke la vetero estas bela? Kia birdo ne povas kanti? La bela birdeto, kiun la knabo havas, kantas belege. Mi aüdas per la oreloj: mi flaras per la nazo. Malgrandaj infanoj havas nazetojn. Mi havas okulojn en la kapo.

Vertaal in Esperanto:

De oude grootvader en de jonge kleinzoon gaan naar de stad. De dochter van den buurman zingt prachtig. Het paard loopt zeer vlug. De kat en de hond zijn geen goede vrienden. Wij hebben prachtig witte, gele en roode rozen in den tuin. Wie loopt snel in den tuin? Het kleine meisje heeft bruine oogen en zwarte haren. Het kind bemerkt, dat het niet alleen is. De wangen van het meisje zijn rood. De zwarte oogen van dien man zijn leelijk. Wie heeft roode haren? Hij heeft bruine tanden in den mond. Hij is blind en kan ook niet loopen. De bek van het paard is zeer groot. Het bloed is in het lichaam en het is rood. Op het gelaat ziet men de wenkbrauwen. Een deel van het lichaam bestaat uit beenderen.

VIERDE LES.

Bezittelijke voornaamwoorden.

De bezittelijke voornaamwoorden drukken, zooals de naam reeds aanduidt, een bepaling van een bezitting uit en worden gevormd van de persoonlijke voornaamwoorden door achtervoeging van a achter die v.n.w.

De uitgang a duidt tevens ook aan, dat ze een bijvoeglijk karakter hebben en dus bij zelfst. n.w. gebruikt worden. Het zijn: mia, da, lia, §ia, gia, nia, via en ilia.

Ze volgen ook, evenals de bijv. n.w., het zelfst. n.w. in meervouds- en voorwerpsuitgang.

Sluiten