Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zegt, dat zijn zoon ziek is.

Wie is ziek? de zoon = onderwerp, dus:

Li diras, ke lia filo estas malsana.

Dus: 1. Staat zijn, haar of hun in het onderwerp, dan vertaalt men altijd: lia, sia, gia of ilia.

2. Staat zijn, haar of hun in het lijdend voorwerp of na een voorzetsel, dan vertaalt men sia als men er van zichzelf voor in de plaats kan zetten, in alle andere gevallen vertaalt men weder lia, sia, gia of ilia.

Vervolg voorwerps n.

In de derde les werd het gebruik van de letter n geleerd voor het lijdend voorwerp. Thans blijven er nog drie gevallen over, waarin eveneens aan het woord een n toegevoegd moet worden.

1. In de bepalingen van tijd als geen voorzetsel gebruikt is:

Li venos mardon Hij komt Dinsdag.

Li venos la sesan de Majo. Hij komt den zesden Mei.

2. in de bepalingen van hoeveelheid als geen voorzetsel gebruikt wordt:

Hij blijft drie dagen. Li restas tri tagojn.

Hij weegt honderd kilogram. Li pezas cent kilogramojn.

Het boek kost drie gulden. La libro kostas tri guldenojn.

De toren is honderd meter hoog. La turo estas alta cent metrojn.

Hij is twee jaar ouder dan ik. Li estas du jarojn pli aga ol mi.

Eerste opmerking: In het Nederlandsch zegt men „twee jaar , „honderd kilogram", „zes meter” e.d. In Esperanto moet men altijd regelmatig het meervoud aanduiden, dus:

vijf gulden kvin guldeno;.

zes meter ses metro/.

acht kilogram ok kilogramo/.

twee jaar du jaro/.

Tweede opmerking: Men kan de n weglaten in deze bepalingen mits men er een voorzetsel voor in de plaats stelt:

Mi venos mardon of mi venos je mardo.

Mi restas tri tagojn of mi restas dum tri tagoj.

Sluiten