Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tegenwoordige deelwoorden (anta en ata) duiden aan, dat de handeling op een bepaald tijdstip aan den gang is.

De verleden deelwoorden (inta en ita) duiden aan, dat de handeling op een bepaald tijdstip reeds geëindigd is.

De toekomende deelwoorden (onta en ota) duiden aan, dat de handeling op een bepaald tijdstip nog moet beginnen.

Hieronder volgt een voorbeeld hoe men deze verschillende toestanden in het Nederlandsch moet uitdrukken: la skribanfa knabo de schrijvende jongen,

la skribinfa knabo de jongen, die geschreven heeft.

la skribonfa knabo de jongen, die gaat schrijven.

la skribafa letero de brief, die geschreven wordt.

la skribffa letero de geschreven brief.

la skribofa letero de brief, die nog geschreven moet worden.

Al deze deelwoorden volgen, omdat ze de uitgang -a hebben, de regels van de bijvoeglijke naamwoorden:

la ludanta/ infanoj de spelende kinderen,

mi vidas la ludantan infanon ik zie het spelende kind.

Uit enkele der bovenstaande voorbeelden blijkt duidelijk, dat in het Nederlandsch vaak een geheele omschrijvende zin moet worden gebruikt, waar men in het Esperanto één deelwoord toepast.

Deelwoorden kunnen ook zelfst. n.w. worden en krijgen dan den uitgang o. Deze zelfst. n.w. duiden tevens aan of de persoon, die genoemd wordt, bezig is de handeling te verrichten (anto), of hij de handeling reeds verricht heeft (into), of dat hij deze nog verrichten moet (onto). Voor den lijdenden vorm zijn deze uitgangen resp. ato, ito en oto, bijv.:

savanto = iemand die redt, dus een redder; savinto = iemand die gered heeft; savonto = iemand die zal redden; savato = iemand die gered wordt; savito = iemand die gered is; savoto = iemand die gered zal worden.

Sluiten