Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebt gij aan uw japon? Wat zegt gij? Welk meisje is ongelukkig? Dat is niet waar. Wat voor noten eet gij? Hij kent geen enkele soort menschen. In allerlei (soort) steden bevinden zich dergelijke menschen. Welken ouderdom hebt gij? Ik had iets gezien, maar ik wist niet wat. Ik zou dit gelezen hebben, maar ik had geen tijd. Neem de zeep uit het zeepbakje en wasch uw handen. De ketting was van goud en de borstspeld van zilver. De gouden borstspeld is mooier dan de zilveren. Leg de borstel in de kast en knoop je jas toe.

VEERTIENDE LES.

Korelativoj op iu en ie.

Korelativoj op iu kunnen zoowel voor personen als voor zaken gebruikt worden. In het eerste geval kunnen ze bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt, en in het tweede geval alleen bijvoeglijk.

Iu = iemand, eenig, de een of andere persoon of zaak, bijv.:

Iu estas en la cambro = iemand is in de kamer.

Iu viro estas en la cambro = een zekere man is in de kamer.

Mi vidis iun = Ik zag iemand.

Iu libro estas sur la tablo = Een zeker boek is op de tafel.

Kiu = wie of welk (vragend), bijv.: -

Kiu kuras en la cambro? = Wie loopt in de kamer?

Kiu viro kuras en la cambro? = Welke man loopt in de kamer? Kiun vi vidas? = Wien ziet gij?

Kiujn librojn li acetas? = Welke boeken koopt hij?

Kiu = die, welke, dat (betrekkelijk), bijv.:

La viro, kiu marsas en la strato, estas maljuna = De man, die in de straat loopt, is oud.

La viro, kiun mi vidas, estas maljuna = De man, dien ik zie, is oud.

La libroj, kiujn mi legas, estas belaj = De boeken, welke ik lees, zijn mooi.

Tiu = die, dat, diegene, bijv.:

Tiu (viro) sidas sur la sego = Die (man) zit op de stoeL Tiu libro kusas sur la sego = Dat boek ligt op de stoel.

Li legas tiujn librojn = Hij leest die boeken.

Sluiten