Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tiu ci of ci tiu = deze of dit (in de nabijheid) bijv.:

Tiu ci (virino) es tas en la domo = Deze (vrouw) is in het huis. Tiu ci krajono kusas sur la tablo = Dit potlood ligt op de tafel. Mi acetas tiujn ci pomojn = Ik koop deze appelen.

Ciu = ieder, iedereen, elk een.

Ciu (infano) ludas = Elk (kind) speelt.

Ciun libron li havas = Elk boek heeft hij.

Mi vidis ciujn = Ik zag allen.

Neniu = niemand, geen, geen enkele, bijv.:

Neniu estas en la domo = Niemand is in het huis.

Li vidis neniun infanon = Hij zag geen enkel kind.

Vi legas neniun libron = Gij leest geen enkel boek.

Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt, dat het betrekkelijk voornaamwoord in Esperanto gelijk is aan het vragend voornaamwoord kiu. In het Nederlandsch is dat niet het geval. In deze taal is het betr. v.nw. gelijk aan het aanwijzend v.nw.:

Dat boek is mooi. Het boek, dat daar ligt, is mooi.

Die man is oud. De man, die daar zit, is oud.

In Esperanto vertaalt men:

Tj.u libro estas bela. La libro, kiu kusas tie, estas bela.

Tiu viro estas maljuna. La viro, kiu sidas tie, estas maljuna.

Men kan altijd gemakkelijk bepalen of die en dat betrekkelijk of aanwijzend zijn. In dit laatste geval kan men er n.1. deze en dit voor in de plaats denken:

Dat boek en dit boek. Die man en deze man. Maar niet:

Het boek, dit daar ligt, is mooi.

In het meervoud krijgt ook het betrekkelijk voornaamwoord de j en in den vierden naamval de n:

La libroj, kiuj kusas tie, estas belaj.

La libro, kiun mi legas, estas bela.

Korelativoj op ie zijn plaats bepalende bijwoorden.

Ie = ergens, op de een of andere plaats, bijv.:

Li devas esti ie = Hij moet ergens zijn.

Ili marsas ien = Zij loopen ergens heen.

Sluiten