Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFTIENDE LES.

Korelativoj op ial en iam.

Korelativoj op ial duiden reden of oorzaak aan.

lal = ergens om, om de een of andere reden, bijv.:

Ial li ne povis veni = Hij kon om de een of andere reden niet komen.

Kial = waarom, om welke reden, bijv.:

Kial li estis en la urbo? = Waarom was hij in de stad?

Tial = daarom, om die reden, bijv.:

Tial mi venis = Daarom kwam ik.

Cial = overal om, om elke reden, bijv.:

La knabo ridis cial — De jongen lachte overal om.

Nenial = nergens om, om geen enkele reden, bijv.:

Mi iras hejmen nenial = Ik ga nergens om naar huis.

Korelativoj op iam hebben betrekking op den tijd. lam = eens, ooit, op zekeren tijd, op een of anderen tijd, bijv.:

Iam vivis rego = er leefde eens een koning.

Kiam = wanneer, op welken tijd, bijv.:

Kiam vi venos? = Wanneer komt gij?

Kiam = toen, in de beteekenis van als, wanneer, zoodra, bijv.: Kiam li venis, li estis bonvena = Toen hij kwam, was hij welkom. Ni estis elirontaj, kiam li alvenis — Wij zouden uitgaan, toen hij kwam.

Tiam = dan, toen, op dien tijd, destijds, bijv.:

Tiam estis tempo por foriri = Dan (of: toen) was het tijd om te vertrekken.

Ciam = altijd, ten allen tijde, steeds, bijv.:

Li laboras ciam = Hij werkt altijd.

Nexdam = nooit, nimmer, op geen enkel oogenblik, bijv.:

Li venas neniam = Hij komt nooit.

Voorvoegsels ek- en re-.

Ek- duidt een werking aan, die aanvangt of van korten duur is, bijv.:

Sluiten