Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik vind den goeden wijn en: ik vind den wijn goed.

Hij verft de tafel geel en: hij verft de geele tafel.

Als in het Nederlandsch het bijvoeglijk naamwoord achter het zelfstandig naamwoord staat, heet het praedicatief gebruikt, d.w.z. dan behoort het bij het gezegde.

Het praedicatief gebruikte bijvoeglijk naamwoord staat in het Esperanto altijd in den eersten naamval:

Mi trovas la vinon bona.

Li kolorigas la tablon [lava.

Mi faras la tabulon pura.

Het praedicatief gebruikte bijvoeglijk naamwoord krijgt wel den meervoudsuitgang:

Mi trovas tiujn librojn belaj. Ik vind die boeken mooi.

Li kolorigas la segojn flavaj. Hij verft de stoelen geel.

Dit zinsdeel heet de bepaling van gesteldheid. Deze bepaling kan ook een zelfstandig naamwoord zijn en dan geldt dezelfde regel:

Ik noem hem een leugenaar. Mi nomas lin mensogulo.

In de derde les hebben we geleerd, dat na een koppelwerkwoord altijd de eerste naamval werd gebruikt: li estas juna. Is er echter bij zoo’n koppelwerkwoord geen onderwerp of is het onderwerp een onbepaalde wijs, dan gebruikt men in plaats van een bijvoeglijk naamwoord een bijwoord:

estas bone, ke vi venas.

promeni estas agrable.

Leer van buiten:

herbo gras klara klaar, helder

radiko wortel brila schitterend

branco tak ebena glad, effen, plat

burgono bot, knop profunda diep

kverko eik fluida vloeibaar

abio spar krei scheppen

nesto nest (door God)

arko boog tondri donderen

fero ijzer flui vloeien

seka droog blovi blazen

Sluiten