Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Twee elementen A en B verbinden zich in de volgende gewichtsverhoudingen met elkaar:

A B

I 96.28 3.72

n 92.83 7.17

Hl 89.62 10.38

IV 86.62 13.38

Toon aan, dat ze aan de wet der multipele proporties voldoen.

11. Verklaar ook met de atoomtheorie de wet der multipele proporties.

12. Het equivalentgewicht van zuurstof is 7.94. Wat betekent dit? Beschrijf nauwkeurig de proef, die dit getal heeft opgeleverd.

13. Welk verband bestaat er tussen het atoom- en het equivalentgewicht van een element?

14. Het oxyde van een metaal bleek bij analyse 12.5% zuurstof te bevatten. Bereken het equivalentgewicht van het metaal. Wat moet men nog meer weten om het atoomgewicht van dat metaal te kunnen bepalen?

15. Waarom verbranden zwavel, koolstof, enz. sneller in zuivere zuurstof dan in lucht?

16. Op welke manieren kan men een reactie versnellen? Geef voorbeelden.

17. Wat betekent het als men zegt, dat de vormingswarmte van kooldioxyde 97 kCal. is?

18. De vormingswarmte van het rode kwikoxyde is 21.5 kCal. Hoeveel warmte is minstens nodig om 50 gram van dit oxyde volledig te ontleden?.

19. Waaraan is het broeien of de zelfontbranding van hooi, ampas of steenkool toe te schrijven?

3. WATERSTOF (H = 1.008).

1. Wat is het atoomgewicht van waterstof voor O = 100?

2. Hoe en onder welke omstandigheden werkt water op: a. calcium, b. natrium, c. koolstof, d. magnesium, e. ijzer? Geef

Sluiten