Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jodide-oplossing. Hoe groot zal het volume van het achterblijvende gas zijn en hoeveel gram jodium wordt afgescheiden?

4. Men heeft nooit het moleculairgewicht van natriumperoxyde kunnen bepalen. Waarom schrijft men dan toch Na202?

5. Hoe werkt waterstofperoxyde op a. loodsulfide, b. op kalium jodide, c. op zilveroxyde?

6. Hoe zou men op eenvoudige wijze het gehalte van een waterstofperoxyde-oplossing kunnen bepalen?

7. 0.170 gram waterstofperoxyde gaven in 12.4 gram water een vriespuntsdaling van 0.75°. Wat is het moleculairgewicht van waterstofperoxyde? De moleculaire vriespuntsdaling van water is 18.6°.

8. Wanneer ge weet, dat de vergelijking voor de ozonvorming luidt:

3 02 = 2 03 — Q Cal.

hoe verklaart ge dan, dat ozon een krachtiger oxydatiemiddel is dan zuurstof?

5. ZUREN, BASEN EN ZOUTEN.

1. Hoe deelt men de oxyden in? Kunnen oxyden ook tot verschillende groepen behoren en hoe heten zij dan?

2. Tot welke soort van oxyden behoren: zwaveldioxyde, calciumoxyde, mangaandioxyde, kooldioxyde, kaliumoxyde, arseentrioxyde, koolmonoxyde, kiezeldioxyde, zinkoxyde? Schrijf hun formules op en geef het antwoord in tabelvorm.

3. Geef de structuurformules van: zwavelzuur, salpeterzuur, natriumhydroxyde, calciumhydroxyde. Wat blijkt hieruit? En wat blijkt uit de structuurformules van arsenigzuur en arseenhydroxyde, zinkzuur en zinkhydroxyde?

4. Welke zuren kent ge, die geen zuurstof bevatten en welke base, die niet is afgeleid van een metaal?

5. Wat verstaat ge onder een base (een zuur) ? Bespreek in uw antwoord de eigenschappen en de reacties van natrium-, ammonium- en calciumhydroxyde (zwavelzuur, koolzuur).

Sluiten