Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15. Schrijf naast elkaar de formules van hydraten en hydroxyden, waarin de metalen calcium en natrium voorkomen.

16. Geef de vergelijkingen van de inwerkingen van natrium op zoutzuur en van natrium op zwavelzuur. Leid hieruit de equivalentgewichten af van zoutzuur en van zwavelzuur. Welke regel kunt ge hieruit halen voor de equivalentgewichten van zuren?

17. Geef de vergelijkingen van de inwerkingen van zoutzuur op natriumhydroxyde en van zoutzuur op calciumhydroxyde. Leid hieruit de equivalentgewichten af van natriumhydroxyde en van calciumhydroxyde. Welke regel kunt ge hieruit halen voor de equivalentgewichten van basen?

18. Geef de definitie van een normaal-oplossing. Wat is de titer van een oplossing van zwavelzuur, van zoutzuur, van natriumhydroxyde, van calciumhydroxyde, die per 300 cm3 27 gram van de opgeloste stof bevat?

19. Hoeveel cm3 0.135 N zwavelzuur heeft men nodig om 25 cm3 0.175 N natronloog te neutraliseren?

20. Hoeveel cm3 0.135 N zwavelzuur heeft men nodig om van 25 cm3 0.175 N natronloog zuur natriumsulfaat te bereiden?

21. Waarom kan men het moleculair-gewicht van oplosbare zuren, zouten en basen niet. zo zonder meer bepalen volgens de cryoscopische of de ebullioscopische methode?

22. Uit welke proeven blijkt het bestaan van ionen?

23. In welke ionen splitsen zich salpeterzuur, fosforzuur, calciumhydroxyde, ammoniumhydroxyde, natriumcarbonaat, loodnitraat, kopersulfaat, bariumchloride?

24. Hoe moeten de begrippen sterke zuren en sterke basen volgens de ionentheorie worden opgevat?

25. Bewijs dat de neutralisatiewarmte van equivalente hoeveelheden zuur en base onafhankelijk is van het zuur en van de base.

Sluiten