Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11. KOOLSTOF, SILICIUM.

(C = 12, Si = 28).

1. Zwavelwaterstof en koolmonoxyde worden reductiemiddelen genoemd. Verklaar deze uitdrukking aan de hand van proeven.

2. Hoe bereidt men in het klein kooldioxyde? Geef een schetstekening van het toestel, waarmee ge intermitterend het gas kunt bereiden en verklaar zijn werking. Hoe krijgt ge het gas droog en zuiver?

3. Hoe zoudt ge aantonen, dat grafiet een allotrope vorm is van koolstof? Noem andere elementen, die eveneens allotropie vertonen en geef de bereidingswijze van elke vorm ervan.

4. Hoe zoudt ge kunnen aantonen, dat er tweemaal zoveel zuurstof in een gegeven volume kooldioxyde is als in een zelfde volume koolmonoxyde?

5. Hoe werkt koolmonoxyde en hoe waterstof op: a. koperoxyde, b. chloor? (omstandigheden er bij vermelden).

6. Welke proef zoudt ge nemen om aan te tonen, dat bij volledige verbranding de reactie plaats heeft: C-f-02 = C02?

7. Beschrijf en verklaar wat gebeurt, wanneer men kooldioxyde leidt in kalkwater.

8. Hoe kan men chloorkalk bereiden, als men tot zijn beschikking heeft: marmer, keukenzout, bruinsteen, zwavel, zuurstof, water en (als katalysator) fijn verdeeld platina?

9. Hoe kan men aantonen, dat het gas gevormd door verhitting van kalksteen hetzelfde is als dat, hetwelk zich vormt bij behandeling van kalksteen met zoutzuur? (Geef drie reacties, waarvan één kwantitatief).

10. Verklaar de vorming van druipsteengrotten.

11. Vijf cylinderglazen bevatten resp. zuurstof, waterstof, stikstof, koolmonoxyde en kooldioxyde. Door welke proeven kunt ge deze gassen van elkaar onderscheiden?

Sluiten