Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Hoe onderscheidt men carbonaten van bicarbonaten ?

13. Hoe kunt ge bewijzen, dat de formule van koolmonoxyde is CO en die van methaan is CH4?

14. Hoe en onder welke omstandigheden werkt kool op: a. tinsteen, b. ongebluste kalk, c. waterdamp, d. kooldioxyde, e. salpeterzuur? Welke toepassingen kent ge van a., b. en c.? Bij d. worde een schetstekening gevoegd van de toestellen, waarmede de reactie in het klein kan worden uitgevoerd.

15. Hoe bereidt men in constante ontwikkel-apparaten waterstof en kooldioxyde? Hoe kunnen eveneens met eenvoudige toestellen worden bereid: zoutzuur, chloor, broomwaterstofzuur, ammoniak, koolmonoxyde?

16. a. Wat gebeurt er, als de verbrandingsproducten van alcohol worden gevoerd door een reeks van vier buizen, waarvan de eerste bevat calciumchloride, de tweede gloeiende kool, de derde gloeiend koperoxyde en de vierde ongebluste kalk? Er wordt verondersteld, dat van een stof, die in een buis treedt en daarin opgenomen of veranderd wordt, uit die buis niets meer te voorschijn komt.

b. Beantwoord dezelfde vraag, als de volgorde, der buizen is 1) die met gloeiende kool, 2) die met gloeiend koperoxyde, 3) die met calciumchloride en 4) die met ongebluste kalk.

17. Op welke wijze kan van een mengsel van zuurstof, kooldioxyde en waterdamp de gewichtsverhouding der drie stoffen worden bepaald? Hoe kan men uit de gewichtsverhouding de volumeverhouding vinden?

18. Langs welke weg kan men van kooldioxyde komen tot koolmonoxyde (kooloxyde), van zwaveldioxyde tot zwaveltrioxyde?

19. Hoe toont men aan, dat een gasmengsel bestaat uit koolmonoxyde en waterstof?

20. Men voert kooldioxyde a. in een oplossing van calciumchloride, b. in water, waarin zich fijn verdeeld calciumcarbonaat bevindt. Wat neemt men waar en aan welke reactie is het waargenomene toe te schrijven?

Sluiten