Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32. Zwavelkoolstof is een endotherme verbinding. Welke invloed heeft deze omstandigheid op de verbrandingswarmte, vergeleken met de warmte, die ontstaat als men equivalente hoeveelheden der beide elementen afzonderlijk verbrandt?

33. Indien bij vorming van koolmonoxyde uit kooldioxyde en koolstof warmte wordt opgenomen, welke invloed heeft dan de temperatuur op het evenwicht: C02-|-C = 2 CO? Welke invloed heeft de druk op dit evenwicht?

34. Wat besluit gij, wanneer de oplossing van een kaliumzout met verdund zoutzuur geeft ontwikkeling van a. kooldioxyde, b. zwaveldioxyde, c. zwavelwaterstof, d. nitreuze dampen?

35. Wat gebeurt er, wanneer men in een gesloten toestel calciumcarbonaat brengt op een temperatuur, die voldoende is voor een merkbare scheikundige werking, daarbij eerst de temperatuur en de druk geruime tijd standvastig houdt, en dan eerst alleen de temperatuur, vervolgens alleen de druk hoger en lager maakt?

36. De vormingswarmte van kooldioxyde uit koolmonoxyde, is 68 kcal, van kooldioxyde uit koolstof 97 kcal. Hoe groot is de vormingswarmte van koolmonoxyde? Welke wet past ge hierbij toe?

37. Hoe werkt fluoorwaterstof op glas?

38. Hoe maakt men carborundum en hoe calciumcarbide ?

39. Waarom rekent men het kiezeldioxyde tot de zure oxyden? Hoe kan men een waterige oplossing van het zuur krijgen? Hoe kan men de oplossing zuiveren?

40. Wat neemt men waar, wanneer men zoutzuur voegt aan de vaste stof verkregen door de verhitting van zand met soda en aan welke reactie is het waargenomene toe te schrijven?

41. Hoe kan men natriumsilikaat bereiden, wanneer men beschikt over: koolstof, keukenzout, zwavelzuur en kwarts?

42. Wat verstaat men onder een gel? Hoe kan men uit waterglas een gel bereiden?

43. Welke zijn 'de verschillen tussen kristalloiden en colloiden?

Sluiten