Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fosfaat (het normale zout), als men de beschikking heeft over fosforpentoxyde en zo nodig, over andere stoffen, die geen fosfor bevatten?

7. Men verdeelt een zekere hoeveelheid kalkwater in twee gelijke delen. In de ene helft voert men net zolang kooldioxyde, tot er geen scheikundige werking meer plaats heeft. Daarna voegt men hierbij de andere helft van het kalkwater. Wat ziet men achtereenvolgens gebeuren en welke reacties hebben plaats?

8. Hoe werkt zwavelzuur op normaal calciumorthofosfaat?

9. Hoe kan men bereiden: a. natriumnitraat uit calciumnitraat, b. superfosfaat uit normaal calciumfosfaat, c. calciumsilikaat uit calciumcarbonaat, d. fluoorwaterstof uit vloeispaat, e. calciumcarbide uit ongebluste kalk, ƒ. calciumoxalaat uit calciumchloride, g. calciumchloride uit calciumoxalaat?

10. Verklaar volgens de ionentheorie waarom calciumcarbonaat oplost in salpeterzuur.

11. Bespreek de electrolyse van een calciumsulfaatoplossing. Zal deze - oplossing de stroom zeer goed geleiden? Antwoord motiveren.

12. Verklaar volgens de ionentheorie waarom gipswater in een oplossing van bariumnitraat een neerslag doet ontstaan.

13. Hoe verkrijgt men chloorkalk ? Hoe kan men de hoeveelheid chloor bepalen, die men uit een gram van deze stof kan bereiden?

14. Hoe zou men kunnen aantonen, dat een oplossing calciumnitraat bevat?

15. Hoe werkt fosfortrichloride op fijn verdeeld krijt in water?

16. Hoe kunt ge aantonen, dat „schoolkrijt” niet bestaat uit calciumcarbonaat, maar uit gips?

17. Hoe zou men bariumcarbonaat kunnen bereiden uit een oplossing van bariumchloride in zoutzuur?

18. Hoe krijgt men bariumhydroxyde uit bariumcarbonaat en hoe uit bariumsulfaat?

Sluiten