Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Wat neemt men waar en aan welke reactie is het waargenomene toe te schrijven, wanneer men a. zwaveldioxyde leidt in een oplossing, die kaliumpermanganaat en zwavelzuur bevat, b. een mengsel van mangaanchloride, kaliumhydroxyde en een oxydatiemiddel verhit, c. bij mangaandioxyde en zwavelzuur oxaalzuur brengt?

3. Hoeveel is een gramequivalent kaliumpermanganaat en waarom ?

4. Hoe kan men jodometrisch de waarde van bruinsteen bepalen ?

5. Men druppelt geconcentreerd zoutzuur bij vast kaliumpermanganaat en leidt het ontwijkende gas in natronloog. Welke reacties hebben plaats? Schrijf van de laatste reactie ook de ionenvergelijking op.

6. Waarom is manganosulfide wel en loodsulfide niet in verdund salpeterzuur oplosbaar?

7. Hoe kan men a. uit manganosulfaat, b. uit bruinsteen kaliummanganaat bereiden en hoe kan men manganaationen omzetten in permanganaationen ?

8. Hoe werkt een zure oplossing van kaliumpermanganaat op a. een fèrrosulfaatoplossing, b. zwavelwaterstof? Wat blijkt uit a. voor het equivalent gewicht van ferrbsulfaat? Is het onverschillig welk zuur men voor het aanzuren neemt?

9. Gegeven keukenzout, bruinsteen en zwavelzuur. Welke gassen kunt ge met deze stoffen bereiden?

10. Verklaar met de ionentheorie waarom zwavelwaterstof in een oplossing van kopersulfaat quantitatief een neerslag doet ontstaan, maar in een oplossing van mangaansulfaat niet.

11. Wat is het verschil tussen de werking van een mengsel van kaliumpermanganaat en zwavelzuur en van kaliumpermanganaat en natronloog of soda?

12. Welke oxydimetrische titraties kent ge?

23. KWIKZILVER. (Hg = 200.5).

1. Hoe en onder welke omstandigheden werkt zuurstof op: zwavelwaterstof, pyriet, vochtig ferrosulfaat en op cinnaber?

Sluiten