Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niumzout? Hoe kan men aantonen, dat een zout is: o. een nitraat, b. een fluoride?

5. Men voert met een normaal zout de volgende proeven uit: a. men voegt aan het zout verdund zoutzuur toe; er ontwijkt een reukeloos gas, dat kalkwater troebel maakt, b. men verwarmt het zout met een oplossing van kaliumhydroxyde; er ontwijkt een gas met een prikkelende geur, dat een vochtig rood lakmoespapiertje blauw kleurt.

Wat is de formule van het zout en welke zijn de vergelijkingen voor de reacties, die hebben plaats gevonden?

6. Hoe kan men onderzoeken of een vloeistof bevat: a. een chloride, b. een sulfaat, c. een nitraat, d. een carbonaat, e. een ammoniumzout, ƒ. een ferrozout, g. een ferrizout?

7. Waarom geldt de reactie op chloriden niet voor oplossingen van andere chloorverbindingen, bijv. niet voor een chloraat en ook niet voor methylchloride ?

8. Hoe kan men bepalen, hoeveel vrij zuur of vrije base in een oplossing voorhanden is? (Geef van deze proef een korte beschrijving). Welke andere toepassingen kent ge van deze soort van proeven (twee voorbeelden) ?

9. Hoe kan het koolzuurgehalte van de lucht nauwkeurig worden bepaald? (Schetstekening).

10. Hoe toont men met behulp van het toestel van Marsh aan, dat rattenkruit een arseenverbinding en dat antimoontrichloride een antimoonverbinding is?

11. Hoe kan men, indien men uitsluitend de beschikking heeft over zwavelzuur, kaliumhydroxyde en water uitmaken of een gegeven stof is: o. magnesiumoxyde of zinkoxyde, b. of een 2e stof is natriumchloride of natriumbromide, o. of een 3e stof is chloorcalcium of chloorkalk, d. een 4e stof is natriumchloride of ammoniumchloride, e. of een 5e stof is natriumsulfiet of natriumthiosulfaat? Wat neemt men bij de te nemen proeven waar (kleur, reuk, enz.) en waaraan is het waargenomene toe te schrijven? Noem een toepassing, bij voorkeur uit het dagelijks leven of uit de industrie, van alle hierboven genoemde stoffen.

Sluiten