Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

electrische ontlading gebruikt kunnen worden om een chemische reactie te bevorderen.

2. Wat gebeurt bij verhitting van a. ammoniumchloride,

b. natriumnitraat, c. calciumcarbonaat, d. cuprinitraat, e. ammoniunnitriet?

3. Noem enige droogmiddelen voor gassen. Maak een tabel van de droogmiddelen, die ge zoudt gebruiken voor elk der volgende gassen: a. zwaveldioxyde, b. zwavelwaterstof, c. koolmonoxyde, d. ammoniak, e. zoutzuurgas, ƒ. kooldioxyde, g. broomwaterstofgas en zeg erbij waarom ge juist dat droogmiddel hebt uitgekozen en geen ander.

4. Welke zijn de reductiemiddelen, welke men in de metallurgie gebruikt en bij welke gelegenheden?

5. Welke stoffen zoudt ge gebruiken om geringe hoeveelheden van a. kooldioxyde in koolmonoxyde, b. zwaveldioxyde in aethyleen, o. stikstofdioxyde in stikstofoxyde, d. zwavelwaterstof in waterstof, e. chloor in zuurstof te verwijderen?

6. Zeven flessen bevatten een van de volgende vaste stoffen: a. watervrije soda, b. natriumbicarbonaat, c. kaliumjodide, d. kaliumbromide, e. natriumsulfiet, ƒ. ammoniumnitriet, g. fosforpentoxyde. Hoe zoudt ge op eenvoudige wijze deze stoffen kunnen herkennen? Beantwoord de vraag tabellarisch.

7. Geef in het kort de belangrijkste methoden om een metaal uit zijn ertsen te winnen.

8. Hoe werkt natriumhydroxyde op a. chloor, b. zink,

c. ferrosulfaat, d. calciumbicarbonaat?

9. Hoe en onder welke omstandigheden werkt aluminium op: a. water, b. kaliloog, c. kopersulfaat, d. loodnitraat e. chromioxyde.

10. Hoe kan men aantonen, dat zeewater een oplossing is en geen enkelvoudige stof, zonder het tot droog te verdampen?

11. Hoe komt men tot het verband tussen moleculairgewicht en dampdichtheid? Toon aan, dat het volume van een grammolecule van alle gassen bij dezelfde omstandigheden van

Sluiten