Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maal zout, dat in oplossing zuur reageert, en één voorbeeld van een normaal zout, dat in oplossing basisch reageert. Verklaar een en ander volgens de ionentheorie.

38. Tot welke soort oxyden behoort elk der volgende stoffen: a. arseentrioxyde, b. koolmonoxyde, c. siliciumdioxyde, d. mangaandioxyde? Geef voor elk dezer verbindingen een reactie, waaruit de aard van het oxyde blijkt.

39. Hoe en onder welke omstandigheden werken op elkaar in: a. zwavelwaterstof en kaliumhydroxyde, b. calciumfosfaat en zwavelzuur, c. arseentrioxyde, zink en zwavelzuur, d. kaliumpermanganaat, zwavelzuur en ferrosulfaat?

40. Op welke van de metalen ijzer en koper werkt zoutzuur in? Hoe werkt op de metalen tin en kwik geconcentreerd salpeterzuur in? Op welke van de metalen aluminium en ijzer werkt kaliloog in? Op welke van de metalen ijzer en kwik werkt een oplossing van kopersulfaat? Indien werking plaats heeft, wat neemt men waar en welke ionen zijn dan in de ontstane oplossing aanwezig? (Er wordt geen volledige reaetievergelijking gevraagd). Men neme aan, dat een overmaat van het metaal aanwezig is.

41. Gekristalliseerde soda verweert aan de lucht, gips niet. Wat kunt ge hieruit concludeeren?

42. Men voegt bij een verdunde oplossing van azijnzuur een schepje natriumacetaat, dat in de azijnzuuroplossing oplost. Wordt hierdoor beinvloed (veel, weinig of niet) en zoo ja hoe: a. de zure smaak der oplossing; b. het electrisch geleidingsvermogen der oplossing, c. de hoeveelheid loog, die nodig is om de oplossing te neutraliseren? De antwoorden kort beredeneren.

43. Hoe kan men in het laboratorium een kleine hoeveelheid van elk der volgende gassen bereiden (één bereidingswijze) ? Geef hierbij den toestand, waarin de stoffen gebruikt worden en de omstandigheden, waaronder de proeven gedaan worden (b.v. vast, opgelost, verdund, geconcentreerd, koud, warm enz.): a. CO, b. C2H4, c. S02, d. NO. Noem voor elk van deze gassen

Sluiten