Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één manier, waarop men bevestigt, dat deze gassen ontstaan zijn.

44. Noem één element (waterstof niet), één oxyde, één zuur, één zout met reducerende eigenschappen en licht de reducties telkens met één voorbeeld toe; vermeld wat daarbij is waar te nemen en of het gekozen voorbeeld practische toepassing vindt (geen bizonderheden hiervan).

45. Welke zijn de vergelijkingen voor de oxydatie: a. door chloor van een oplossing van kaliumsulfiet, van geel bloedloogzout, van kaliummanganaat, b. door kaliumbichromaat en zwavelzuur van aethylalkohol, c. door kaliumhydroxyde en zuurstof van chroomijzersteen (Cr203.FeO).

46. Welke zijn de vergelijkingen voor de reductie: a. door zwaveldioxyde van cuprichloride, van jodium tot joodwaterstofzuur, b. door stannochloride van mercuri- of hydrargyrichloride, c. door zuringzuur of oxaalzuur van bruinsteen en zwavelzuur, van kaliumpermanganaat en zwavelzuur.

47. Hoe en onder welke omstandigheden werkt water a. op chloor, b. op fosforpentachlori.de, c. op kaliummanganaat, d. met zuurstof op ferrosulfaat, e. op ferrichloride, ƒ. op arseentrioxy de ?

48. Hoe en onder welke omstandigheden werkt: a. salpeterzuur op koper, 6. zwavelwaterstof op ferrichloride, c. kiezeldioxyde op soda, zwavelwaterstof op natriumhydroxyde?

49. Waarom neemt men aan, dat op de moleculen waterstof twee atomen voorkomen?

50. Geef twee voorbeelden van elementen waar het aantal atomen op de moleculen veranderlijk is. Welke omstandigheden hebben invloed op de verandering van dat aantal? Indien een der omstandigheden in een bepaalde richting verandert, welke invloed heeft dit dan?

51. Geef de vergelijkingen voor de werkingen van chloor op: a. een oplossing van kalium jodide in water, b. een oplossing van zwaveligzuur in water, c. een oplossing van ferrochloride in water, d. een oplossing van geel bloedloogzout in water.

Sluiten