Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een oplossing van stannochloride zoolang wordt gevoegd bij een oplossing van sublimaat, totdat er geen werking meer plaats heeft? Wat ziet men, wanneer alkohol werkt op een mengsel van zwavelzuur en een oplossing van kaliumbichromaat? Wat ziet men, wanneer een kristal van kopersulfaat wordt verhit? Hoe verklaart men in elk dier gevallen de waargenomen verschijnselen?

61. Waaruit leidt men af, dat een molecule zuurstof uit een even aantal atomen bestaat?

62. Geef de vergelijkingen voor: a. de werking van sterk zwavelzuur op normaal calciumorthofosfaat, b. de werking van sterk zwavelzuur op zuringzuur (of oxaalzuur) bij verhitting, c. de werking tusschen broom, roode fosfor en water, d. de werking van een oplossing van natriumhydroxyde op een oplossing van sublimaat. Met welk doel wordt de werking o in het groot uitgevoerd? Welk gas kan uit het bij b gevormd mengsel gemakkelijk worden weggenomen en hoe gebeurt dit? Met welk doel wordt de werking c. uitgevoerd? Welke kleur heeft het bij d. gevormde neerslag?

63. Geef van zoutzuur, van chloor en van chloorkalk elk één bereidingswijze. Hoe bepaalt men de waarde van chloorkalk?

64. Geef een korte beschrijving van één wijze, waarop elk der volgende stoffen uit een erts wordt bereid: aluminium, gietijzer.

65. Wat gebeurt bij electrolyse van chloorcalcium met koolelectroden, wanneer men de ontstane producten op elkaar laat inwerken. Verklaar de werkingen met formules.

66. Hoe en onder welke omstandigheden werkt water op chloor, koolstof, natrium, ijzer, fosforpentoxyde, fosfortribromide, calciumoxyde, calciumcarbide ?

67. Hoe werkt ammonia op: a. salpeterzuur, 6. een oplossing van ferrichloride, c. een oplossing van aluin, d. zwavelwaterstof, e. azijnzuur?

68. Wat moet men bij een basisch zout voegen om het bijbehorende normale zout te krijgen?

Sluiten