Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69. Geef van elk der 4 volgende stoffen één practische bereidingswijze: chloorwaterstofgas, stikstofoxydule, zwavelwaterstof, acetyleen. Hoe kan van de drie eerste stoffen de moleculairformule worden bepaald?

70. Hoe en onder welke omstandigheden werkt water op: a. stikstofdioxyde, 6. koolstof, c. fosfortrichloride, d. calcium, e. aluminiumsulfide?

71. 100 g water lossen 0.12 g gebluste kalk op. Hoe groot is het oplosbaarheidsproduct van gebluste kalk? Hoe groot is de pH-waarde van de oplossing?

72. Hoe toont men stannochloride aan?

73. Wat bepaalt de basische reactie van een oplossing van kaliumsulfide ?

74. Welk verschil bestaat er tussen de electrolyse van een oplossing van natriumsulfaat en die van natriumhydroxyde tussen platina-electroden? En welk verschil tussen de electrolyse van een zwavelzuur- en van een zoutzuur-oplossing tussen koolelectroden? In al de vier gevallen gebruikt men geen scheidingswand.

75. Geef een voorbeeld van een oxydatie met chloor, waarbij verandering wordt gebracht in de positieve lading, en een waarbij verandering wordt gebracht in de negatieve lading van een ion.

76. Wat verstaat men onder het oplosbaarheidsproduct van calciumsulfaat? Is dit kleiner of grooter dan dat van bariumsulfaat? Waaruit leidt ge dit af?

77. Uit een oplossing van een base en een gasvormig zuuroxyde wil men een oplossing van het normale zout maken. Hoe doet men dat?

78. Hoeveel weegt 1 liter ammoniak, 1 liter zwaveldioxyde bij een temperatuur en druk, waarbij v cm3 zwavelwaterstof p gram weegt?

79. Beredeneer in welke richting de evenwichten:

N2 + 02 jü 2 NO — p Cal.

2 CO ^ C + C02 + q Cal.

zullen verschuiven a. bij verhoging van de druk, terwijl de

Sluiten