Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewegelijk evenwicht? Vertel kort waarvan de reactiesnelheid afhankelijk is.

90. Welke zijn de ionisatieconstanten van antimonigzuur?

91. Wat verstaat men onder de ionisatiegraad van een electrolyte in oplossing? Hoe kan men de waarde daarvan vinden? Wat weet ge van de ionisatiegraad van zuren, basen en zouten? Wat weet ge van het ionenproduct of oplosbaarheidsproduct van zuren, zouten en basen?

92. Op welke wijzen kan men aantonen, dat geel bloedloogzout een complex zout en dat ammoniumijzeraluin een dubbelzout is?

93. Geef een voorbeeld van een oxydatie, waarbij: a. de positieve lading van een ion toeneemt, b de negatieve lading van een ion afneemt. Geef de ionenvergelijkingen.

94. Hoe kan een platinasol worden verkregen?

95. Geef een voorbeeld van een zuur oxyde, een basisch oxyde, een amfoteer oxyde en een indifferent oxyde (met vergelijkingen van reacties, waaruit het bedoelde gedrag duidelijk blijkt).

96. Waaruit blijkt, dat het oplosbaarheidsproduct van ammoniumhydroxyde kleiner is dan dat van calciumhydroxyde?

97. Hoe en onder welke omstandigheden werkt kalium, hydroxyde op: chloor, op ammoniumchloride, op een oplossing van aluminiumsulfaat (of zinksulfaat), op een oplossing van mercurichloride, en met behulp van zuurstof op bruinsteen.

98. De dissociatiegraad van een 1/10 N zoutzuuroplossing is 0.914. Wat is haar pH-waarde?

99. Geef de vergelijking van een reactie, waarbij uit twee oplosbare, twee onoplosbare zouten ontstaan.

100. Geef de vergelijkingen van de ionensplitsing van een oplossing van rattenkruit in water. Geef ook de formules voor de ionisatieconstanten.

101. Waarom reageren oplosbare koperzouten zuur?

Sluiten