Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. Waarom neemt men in de structuurformule van propyleen een dubbele binding aan en niet twee driewaardige koolstof atomen of één tweewaardig koolstof atoom ?

15. Hoe werkt een oplossing van kaliumpermanganaat en soda op propeen? Hoe heet de verbinding, die ontstaat?

3. HALOGEENVERBINDINGEN DER AUFATISCHE KOOLWATERSTOFFEN.

1. Welke zijn de isomeren van butyljodide?

2. Schrijf de reactievergelijking op voor de bereiding van jodoform uit aethanol, KOH en jodium.

4. Uit methaan azijnzuur te bereiden en omgekeerd.

5. Hoe werkt natronloog of vochtig zilveroxyde op jodoform en hoe op tetrachloorkoolstof ?

6. Hoe werkt PC13 en hoe PC15 op a. propanon, b. aethanal,

■ c. propanol 2?

7. Men laat één mol chloor op 1 mol n. butaan inwerken en behandelt de verkregen organische producten daarna met vochtig zilveroxyde. Welke verbindingen ontstaan er nu?

8. Uit methaan aethanol te bereiden.

9. Hoeveel dichloorsubtitutieproducten zijn er van n butaan en hoeveel van isobutaan?

10. Hoe kan men uitmaken, dat bij additie van chloor aan propeen ontstaat propyleenchloride en niet een hiermede isomere verbinding C3H6C12?

11. Men lost kaliumjodide op in verdunde alkohol en leidt door de oplossing een electrische stroom. Welke producten ontstaan aan de beide electroden en hoe werken deze op de alkohol?

12. Hoe kan men uit methaan bereiden aethaan, hieruit aetheen en hieruit aethyn?

4. AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN. (Benzeen en homologen Cn H2„-6, halogeenverbindingen, nitroverbindingen en sulfonzuren).

1. Wat kan de oorzaak zijn, dat men in lichtgas benzol naast acetyleen vindt?

Sluiten