Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13. TWEEBASISCHE ZUREN.

(Dicarbonzuren)

ï. Laat aethyleen chloor adderen en behandel het verkregen product met cyaankalium en vervolgens met water. Welke zijn de reacties, die plaats grijpen en hoe heet het eindproduct?

2. Hoe werkt geconcentreerd zwavelzuur en hoe een mengsel van kaliumpermanganaat en zwavelzuur op oxaalzuur? Hoe kunt ge aantonen, dat de reacties plaats hebben gehad?

3. Welke stoffen ontstaan bij verhitting van a. natriumformiaat op zich zelf, b. een mengsel van natriumformiaat en kaliumpropionaat ?

4. Welke wijnsteenzuren kent ge ? Welke zijn hun structuurformules? Welke zijn optisch actief en welke niet? Hoe kan men het racemaat in zijn componenten splitsen?

5. Hoe bereidt men uit koolmonoxyde natriumformiaat en hoe hieruit natriumoxalaatf

6. In een kolf verwarmt men normaal kaliumoxalaat met een overmaat geconcentreerd zwavelzuur. Het ontstane gas, dat men boven kaliloog öpvangt, heeft een volume van 134.94 cm». Hoeveel gram kaliumoxalaat heeft men genomen?

7. Men laat 40.5 g van een organische verbinding met de moleculairformule C6H10O5 bij ongeveer 200° reageren met 140 g kaliumhydroxydë» Nadat de reactie is afgelopen, blijkt

0.2 deel van het kaliumhydroxyde omgezet te zijn in kaliumoxalaat en de rest in kaliumcarbonaat, terwijl nog 6^Liliter waterstof is ontstaan. Schrijf de reactievergelijking op. ^ ^

14. AMINEN.

1. Uit calciumbenzoaat aniline te bereiden.

2. Welke isomere stoffen worden voorgesteld door de moleculair-formule C3H9N? Hoe heten zij?

3. Geef de vergelijkingen voor de reacties, die plaats grijpen, wanneer men samenbrengt: a. trimethylamine en zwavelzuur, b. aethylamine met natriumnitriet en zoutzuur.

Sluiten