Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één voorbeeld en geef daarvan eenige bizonderheden (bereiding, chemische eigenschappen).

4. Welke verbindingen zijn u bekend, die de groep NH2 bevatten? Welke bereidingswijzen kent ge van twee soorten van die verbindingen? Is er een essentiëel verschil in hun chemische eigenschappen ?

5. Hoe en onder welke omstandigheden werkt zwavelzuur op: aethylamine, op aethylalkohol, op benzeen, op aethyleen, op rietsuiker, op natriumacetaat, op zetmeel, op fenol, op tolueen, op een mengsel van propanol 1 en azijnzuur, op butaan, op oxaalzuur, op hydrogeencarbonzuur?

6. Met welke algemene reactie uit de anorganische chemie kan de estervorming worden vergeleken? In welk opzicht is een verschil? Wat weet ge van de bereiding van aethylacetaat en die van nitroglycerine?

7. Wat verstaat ge onder isomerie, polymerie, stereomerie ? Geef voorbeelden.

8. Hoe en onder welke omstandigheden werkt chloor op: methaan, aetheen, methaancarbonzuur, tolueen, bamsteenzuur?

9. Geef de structuurformules van a. een eenwaardige alkohol, b. een aldehyde, c. een eenbasisch organisch zuur, d. een onverzadigde koolwaterstof uit de reeks CnH2n, e. een primair amine, ƒ. een nitril, g. benzeen en h. fenol. Welke zijn de kenmerkende eigenschappen van deze stoffen?

10. Hoe en onder welke omstandigheden werkt kaliumhydroxyde op a. natriumacetaat, b. aethylacetaat, c. benzolsulfonzuur, d. aethyleenbromide, e. isöpropylchloride, ƒ. chloroform, g. methaancarbonamide, h. tetrachloorkoolstof, i. fenol, j. nitroglycerine, k. tetramethylammoniumjodide?

11. Maak uit methaan aethaan, hieruit aethanol, hieruit aethanal, hieruit aethanol 1 carbonzuur 1, hieruit weer aethanal en hieruit weer methaan.

12. Geef de vergelijkingen voor a. het inverteren van een oplossing van rietsuiker, b. de alkoholische gisting van een oplossing van druivensuiker, c. de oxydatie van aethanol tot aldehyde door een mengsel van zwavelzuur en een oplossing van

Sluiten